Ze zeggen meneer tegen mij…..hoe agile kan dat zijn?

Ze zeggen meneer tegen mij…..hoe agile kan dat zijn?
Gastdocent Piet Vonk

Meneer, kunt u even helpen……., dat was een veelgehoorde vraag afgelopen vrijdagmiddag. Ik mocht ‘expeditie micro:bit’ introduceren op de OBS de Weesboom. Hierbij krijgt elk tweetal leerlingen een Digi-klooikoffer om mee te kl…. klooien, inderdaad. Met die klooikoffer kunnen leerlingen leren programmeren met de micro:bit, een superleuke kleine computer.
De 37 leerlingen van groep 6, 7 en 8 van de Openbare BasisSchool ‘De Weesboom’ in Amersfoort zijn leuk aan de slag geweest. De computers staan door de school verspreid en dus de kids ook. Tijdens het helpen en vragen beantwoorden, heb ik wel de hele school gezien, nou ja, gezien…. pffff…..

Bij de introductie in de klas kwamen al snel wat vragen: “Kun je ook hacken?”, “Weet jij alles van de computer?”, “Mogen we vaker op de computer?”, etc.

‘In de eerste les maak je kennis met de materialen en hoe je moet programmeren. Aan het eind van deze les kun je al teksten op de micro:bit laten zien, elektronisch dobbelen of een bots meter programmeren. Later kun je aan de slag met geluid, een serie lichtjes of het kompas.’
Ik had mijn Mirco:bit al geprogrammeerd als naamkaartje en dobbelsteen en dat wilden ze allemaal wel. Cool.

De materialen zijn heel bewust voor tweetallen, zodat er moet worden samengewerkt en de kids ook van elkaar kunnen leren en elkaar kunnen helpen. De materialen en het lesboekje zijn in principe voldoende voor de kids om zelf aan de slag te kunnen. Zelfwerkzaam met de docent als coach en begeleider.
Een aantal Agile beginselen worden hier dus al toegepast; kleine teams, die zelf-organiserend in een uurtje een duidelijk resultaat hebben bereikt.

Ik vond het leuk om juf Carla te helpen met deze les. Ik vind het heel knap hoe zij en haar collega’s elke dag weer zorgen dat ‘onze’ kinderen opgeleid worden. Respect!
Juf hield deze grote groep goed in hand. Als zij haar hand opstak en aftelde 5, 4, 3, ….. dan was iedereen stil bij de 1. En bij vragen werd netjes op de beurt gewacht.

Ik heb weer genoten van deze blik in basisschool en weet je wat, ik mag volgende week weer komen helpen. Misschien zeggen ze dan meester Piet, want juf en meester zijn nog steeds de betrouwbare peilers voor deze kanjers.

Deze onderzoeker vindt dat ieder kind moet programmeren | Correspondent

Johannes Visser | De correspondent
Dit schooljaar schrijf ik over onderwijstechnologie. Momenteel ben ik bezig met een groot verhaal over programmeeronderwijs. Daarvoor spreek ik verschillende deskundigen, belanghebbenden en betrokkenen.

Het gesprek dat ik met universitair docent Felienne Hermans had, deel ik graag met jullie. De onderzoeker kijkt aan de TU Delft naar programmeeronderwijs voor basisschoolkinderen. Ook maakte zij een leerlijn programmeren voor het basisonderwijs.

Het belang van leren programmeren
Waarom vind je het belangrijk dat kinderen leren programmeren?
‘Daar heb ik drie redenen voor: de arbeidsmarkt, burgerschap en creativiteit.’

‘Niet iedereen hoeft programmeur te worden, maar steeds meer mensen krijgen in hun werk te maken met data-analyse. Een monteur draaide vroeger schroefjes aan, maar nu kom je met je auto bij de garage en doet de monteur eerst een software-update.’

‘Ook wil je dat kinderen mee kunnen praten over het nieuws. Het nieuws is één groot softwarebulletin: Russische hackers in Amerika, Airbnb. Om mee te praten moeten kinderen iets van de context snappen.’

‘Meisjes van een jaar of acht, negen, zeggen al: ik denk niet dat ik kan programmeren’
‘En programmeren is een manier om je te uiten. Een paar jaar geleden maakte een vader een game toen hij zijn kind verloor aan kanker. In het spel moet je steeds kiezen: nog een keer chemo? Een nieuw apparaat proberen? Het interessante is: wat je ook kiest, het kind gaat toch dood. Je kan iets ‘van je af’ programmeren.’

Maar waarom moet dat al in het basisonderwijs?
‘Hoe later kinderen in aanraking komen met computers, hoe meer ze het idee krijgen: dit is niets voor mij. Veel kinderen van lage socio-economische afkomst hebben geen computer , of geen computer met internet thuis. Ook weten we uit onderzoek dat meisjes op heel jonge leeftijd al vooroordelen over hun eigen prestaties ontwikkelen. Meisjes van een jaar of acht, negen, zeggen al: ik denk niet dat ik kan programmeren.’

Vooral om emancipatoire redenen dus? Dan zou je kunnen zeggen: als ieder kind in het voortgezet onderwijs ermee in aanraking komt, hoef je dat in het basisonderwijs niet te doen.
‘Het is belangrijk dat het voor alle kinderen is. Als je het in de brugklas aanbiedt, heb je een groot gedeelte van de problemen opgelost. Maar dan moet je het ook op vmbo en havo aanbieden, niet alleen op het vwo. En dat wil ook niet zeggen dat je in het basisonderwijs helemaal niets meer moet doen: je hebt nog steeds die problematiek van jonge meisjes die denken dat programmeren niets voor hen is.’

Wat voor onderzoek doet u?
‘Mijn onderzoek gaat over welke methodes we kunnen gebruiken om lessen in programmeren effectiever te maken.’

‘We weten nog heel weinig.
Lees hier over het onderzoek naar programmeervaardigheden bij kinderen. Uit een van de onderzoeken die we hebben gedaan, blijkt dat kinderen tussen de elf en twaalf opeens significant beter kunnen programmeren. Na hun twaalfde kunnen kinderen opeens een stuk logischer redeneren.’

‘Als je kinderen in het basisonderwijs dus wilt leren programmeren, of: computational thinking wilt aanleren, moet je je goed realiseren dat je het concreet moet houden. Bijvoorbeeld: leg deze dierenplaatjes op volgorde.’

‘In een andere studie laten we zien dat je kinderen niet onmiddellijk achter de computer moet zetten. Het is beter om ze oefeningen te laten maken op papier en concepten uit te leggen. Een computer is gaaf, maar kinderen verdrinken dan in de mogelijkheden.’

‘Kortom, ik zou graag willen zeggen dat we weten wat het beste is voor alle kinderen, maar dat weten we gewoon nog niet.’

Waarom heb je dan toch een leerlijn programmeren ontwikkeld voor kinderen van groep één tot en met acht?
‘Het antwoord is simpel: leerkrachten hebben er behoefte aan. Als we naar scholen gingen, bleven leerkrachten maar zeggen: ‘Leuk, maar wat leren kinderen hier nu van?’ Veel lesmateriaal wordt gemaakt door nerds die het leuk vinden om te programmeren, maar die denken niet na over wat de leerdoelen zijn. Leerkrachten willen weten wat het doel is.’

Maar je weet toch niet of deze lessen tot dat leerdoel leiden? Er is geen onderzoek naar gedaan.
‘Niks doen is ook geen optie. De leerlijn is een voorzet. Voor kleuters is die motorisch: pakken, voelen en ervaren. Groep 4 en 5 krijgen heel concrete dingen te doen. Als een leerkracht zegt: ik heb het geprobeerd met groep 5 en het liep niet lekker, moet de les misschien naar groep 6 of 7. We hopen dat leerkrachten ons van feedback gaan voorzien.’

Ben je niet bang dat het kinderen afschrikt als je programmeren zo ‘schools’ maakt?
‘Dat geldt voor alles! Kinderen willen in groep 2 supergraag leren schrijven. Dat vinden ze een eer: iedereen kan schrijven, en dan horen ze erbij. Dan wordt het heel schools gemaakt in groep 3 en is het niet meer leuk.’

‘Het alternatief is een mythe, die van het ‘zelf leren.’ Dat is een privilege. Je kan het jezelf alleen aanleren als je een computer hebt en je ouders je de ruimte geven daarmee aan de slag te gaan. Dus ja, het risico van ‘schools’ aanbieden is dat het kinderen afschrikt, maar het zorgt wel voor gelijke kansen.’

Hoogleraar computerwetenschappen Peter Sloot zei vorige week tegen me dat het onzin is om kinderen te leren programmeren. Je zou veel beter puzzels met ze kunnen doen om ze te leren complexe problemen op te lossen. Wat vind je daarvan?
‘Programmeren is meer dan computational thinking. Ik kan een programma maken dat willekeurige noten speelt of willekeurige woordjes voor me uitkiest. Dan kan ik de computer vragen om melodieën te maken die zo min mogelijk op elkaar lijken of drie woorden die geen letter met elkaar gemeen hebben, zoiets geks. Na wat spelen heb je dan misschien een mooie melodie of een mooi gedicht! Daar heb je helemaal geen computational thinking skills voor nodig, maar het levert iets moois op wat niet zo makkelijk zonder computer te maken is. Dat creatieve proces dat gun ik ieder kind.’

‘Het is ook relevant dat er in de afgelopen decennia nog maar bar weinig is veranderd aan programmeertalen. De eerste programmeertaal voor kinderen werd in 1967 gemaakt en bevat in grote lijnen dezelfde bouwblokken als huidige programmeertalen. Ongetwijfeld riepen de Peter Sloots van de jaren zestig dat de vaardigheden die leerlingen met de programmeertaal Logo opdeden later niet meer zo zinnig zouden zijn. De leerlingen van toen zijn nu bijna aan hun pensioen toe.’

Lees hier het artikel op de website van de Correspondent.